Familierechtelijke ontwikkelingen in het internationale privaatrecht

 
 
 
Evelien Geerings
 

10 november 2011

Evelien Geerings

 
 
Het familierecht is een rechtsgebied dat constant aan verandering onderhevig is. Waar per 1 januari 2012 in Nederland onder meer de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen van kracht gaat, is ook op internationaal vlak in 2011 en 2012 het nodige gewijzigd. De belangrijkste wijzigingen worden hieronder besproken. Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996

Op 1 mei 2011 is het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 voor Nederland in werking getreden. Dit verdrag heeft tot doel het aanwijzen van de staat wiens autoriteiten bevoegd zijn tot het nemen van maatregelen ter bescherming van het persoon of vermogen van het kind, alsmede het bepalen van het toepasselijke recht op een bij de rechtbank aanhangig gemaakte procedure met betrekking tot ouderlijke verantwoordelijkheid, wanneer de ouders niet in hetzelfde land woonachtig zijn en/of verschillende nationaliteiten hebben. De bedoelde maatregelen zien met name op gezagsrechten, met inbegrip van rechten betreffende de zorg, voogdij, curatele, de plaatsing van een kind in een pleeggezin en het beheer over het vermogen van een kind.

Het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 concurreert op bepaalde onderwerpen met reeds bestaande internationale verdragen en verordeningen. Zo is per 1 maart 2005 de Verordening Brussel II-bis voor alle landen in de Europese Unie van toepassing. Brussel II-bis voorziet ook in regels met betrekking tot de bepaling van rechtsmacht van de aangezochte rechter bij onderwerpen aangaande de ouderlijke verantwoordelijkheid. Deze verordening bepaalt zelf dat het voorrang heeft boven het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, wanneer het betrokken kind zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een EU-lidstaat heeft.

Bij internationale kinderontvoering zijn er liefst vier toepasselijke regelingen: naast het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 zijn er het Kinderontvoeringsverdrag van de Raad van Europa 1980, het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980, de Verordening Brussel II-bis en het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996. De inwerkingtreding van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 heeft evenwel niet veel veranderd aan de daarvoor bestaande situatie: het regelt alleen de bevoegdheid tot het treffen van kinderbeschermende maatregelen ten aanzien van een ontvoerd kind en het laat zich verder niet in met de problematiek van kinderontvoering.

Europese Alimentatieverordening

Per 18 juni 2011 is de Europese Alimentatieverordening voor Nederland in werking getreden. De achterliggende gedachte van deze verordening  is het vereenvoudigen van (internationale) alimentatieprocedures, waaronder de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in andere (EU-)landen (met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken). Deze verordening heeft een universeel toepassingsbereik, waardoor de aangezochte rechter van een lidstaat het toepast, ongeacht of het land, waar de wederpartij woont, lid is van de verordening. De verordening regelt de rechtsmacht en toepasselijke recht op alimentatiekwesties en geeft regels over de erkenning en tenuitvoerlegging van in andere landen gewezen alimentatiebeslissingen. De inwerkingtreding van deze verordening is goed nieuws voor alimentatiegerechtigden, waarbij de alimentatieplichtige in een ander (EU-)land woont; het incasseren van interlandelijke alimentatie is er stukken eenvoudiger op geworden.

Boek 10 Burgerlijk Wetboek

Per 1 januari 2012 treedt in Nederland Boek 10 Burgerlijk Wetboek in werking. Dit boek regelt op diverse rechtsgebieden het internationale conflictenrecht. Met andere woorden: in Boek 10 Burgerlijk Wetboek staat bepaald welk recht van toepassing is op een bepaald rechtsgebied, indien de Nederlandse rechter zich bevoegd heeft verklaard om van de procedure kennis te nemen. Voor wat betreft het familierecht wordt onder meer geregeld welk recht van toepassing is op een echtscheidingsprocedure. De hoofdregel is dat Nederlands recht van toepassing is, tenzij een gezamenlijke rechtskeuze is gemaakt voor het recht van een gemeenschappelijke vreemde nationaliteit of een rechtskeuze is gemaakt door één van partijen voor dit recht is gedaan en beide echtgenoten een werkelijke maatschappelijke band met het land van de gemeenschappelijke nationaliteit hebben.

Conclusie

Door de recente ontwikkelingen in het internationale procesrecht is er voor de justitiabele meer duidelijkheid en uniformiteit ontstaan. Bij familierechtelijke kwesties met een internationaal tintje is het van groot belang stil te staan bij de bevoegde rechter en het toepasselijke recht, voordat inhoudelijk gekeken wordt naar de kwestie. Een kwestie inhoudelijk beoordelen, zonder dat duidelijk is waar deze aanhangig kan worden gemaakt en welk recht daarop van toepassing is, is immers niet mogelijk.