Eindigt de alimentatieplicht als de ontvanger gaat samenwonen?

 
 
 
Edward Plass
 

26 januari 2012

Edward Plass

 
 
Recentelijk heeft het Gerechtshof ’s-Gravenhage in twee verschillende zaken twee afwijkende beschikkingen gewezen ten aanzien van een verzoek van de man tot het beëindigen van de partneralimentatieverplichting. In beide zaken stelde de man dat zijn ex-vrouw was gaan samenwonen en dat er dus een einde moest komen aan de alimentatieverplichting. De feiten lagen niet eens zover uit elkaar, maar het hof wees het in het eerste geval toe en in het tweede geval af. De vraag laat zich dan ook stellen waarom dit zo was. Recentelijk heeft het Gerechtshof ’s-Gravenhage in twee verschillende zaken (hier en hier) twee afwijkende beschikkingen gewezen ten aanzien van een verzoek van de man tot het beëindigen van de partneralimentatieverplichting. In beide zaken stelde de man dat zijn ex-vrouw was gaan samenwonen en dat er dus een einde moest komen aan de alimentatieverplichting. De feiten lagen niet eens zover uit elkaar, maar het hof wees het in het eerste geval toe en in het tweede geval af. De vraag laat zich dan ook stellen waarom dit zo was.

Artikel 160 van Boek 1 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een partneralimentatieverplichting van rechtswege eindigt wanneer de ontvangende partij opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat, dan wel gaat samenwonen met een ander als waren zij gehuwd of als hadden zij hun partnerschap laten registreren. De eerste twee situaties zijn in de praktijk natuurlijk eenvoudig te controleren; een huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt immers geregistreerd in de daarvoor door de gemeente aangehouden registers. Hieruit volgt dan ook op welke datum het (nieuwe) huwelijk is aangegaan, dan wel wanneer een geregistreerd partnerschap is gesloten. Met ingang van die datum eindigt de partneralimentatieverplichting van rechtswege.

Het criterium “samenwonen als waren zij gehuwd, dan wel als waren zij een geregistreerd partnerschap hebben laten registreren” is beduidend vager. Uit de vaste lijn in de rechtspraak is af te leiden dat het enkel met een nieuwe partner gaan samenwonen op één adres niet voldoende is om de wettelijke onderhoudsverplichting na een huwelijk te doen beëindigen. Vereist is dat (I) tussen de alimentatieontvanger en zijn/haar nieuwe partner een affectieve relatie van duurzame aard bestaat, die (II) meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgen en (III) dat zij met elkaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Uit vaste rechtspraak volgt dat het hiervoor genoemde wetsartikel terughoudend moet worden uitgelegd. Het beëindigt immers definitief een wettelijke verplichting, die voortvloeide uit het tussen partijen bestaande (ontbonden) huwelijk. Pas op het moment dat de alimentatieontvanger een relatie aangaat met een ander, welke relatie alle kenmerken heeft van een huwelijk of geregistreerd partnerschap, kan de alimentatieplichtige met succes beëindiging van zijn alimentatieverplichting verzoeken.

In de eerste uitspraak van het Gerechtshof ’s-Gravenhage, waar dus werd vastgesteld dat de alimentatieverplichting van rechtswege was komen te vervallen, had de man goed gemotiveerd waarom er sprake  was van alle voornoemde criteria en had hij deze ook met bewijsstukken onderbouwd. In de andere kwestie onderbouwde de man dit naar het oordeel van het hof onvoldoende.

Een geslaagd beroep op artikel 1:160 BW vereist dus een goede en deugdelijke onderbouwing. De bewijslast van de stelling dat er sprake is van een dergelijke samenleving ligt bij de alimentatieplichtige. Dit maakt het lastig om een partneralimentatieverplichting op deze grond te beëindigen, omdat met name het tweede en derde criterium voor de alimentatieplichtige moeilijk te bewijzen zijn.