Verknochtheid en huwelijksgoederengemeenschap II

 
 
 
Ghislaine van Kooten
 

3 januari 2013

Ghislaine van Kooten

 
 

Dit artikel heeft betrekking op onze juridisch specialisatie:

Familie- en erfrecht

Op 11 april jl. schreef ondergetekende een artikel voor deze website over verknochtheid bij de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap. Recent is er een aantal belangwekkende uitspraken gewezen omtrent dit onderwerp.

In het artikel van april (klik hier) schreef ondergetekende dat de wet bepaalt dat alle goederen, die partijen op het moment van de huwelijkssluiting bezitten en alle goederen, die zij na huwelijkssluiting verwerven, in de tussen hen bestaande algehele gemeenschap van goederen vallen, tenzij zij het bestaan van een algehele gemeenschap van goederen bij huwelijkse voorwaarden hebben uitgesloten. Hetzelfde geldt voor schulden. Verknochtheid kan echter de boedelmenging in de weg staan, opdat een bepaald goed of schuld niet binnen de gemeenschap van goederen valt, maar privé-eigendom van één van partijen blijft, respectievelijk een privéschuld van één van partijen blijft.

Het Gerechtshof ’s-Gravenhage heeft op 16 mei 2012 (uitspraak) beschikking gewezen, waarin het gerechtshof bepaalde dat schulden die voortvloeien uit een strafrechtelijke en civielrechtelijke veroordeling niet zijn verknocht. Het hof neemt in bij het bepalen van de aard van die schulden – mede aan de hand van de maatschappelijke opvattingen – in aanmerking dat de vrouw goed op de hoogte was van de hennepkwekerij van de man en zij wist van de in het geding zijnde schulden. Dit was voor haar geen reden om het huwelijk te beëindigen of gewag te maken van het bestaan van deze strafbare activiteiten. Dit staat volgens het hof het aannemen van een beroep op verknochtheid in de weg. In die procedure was de man ook veroordeeld om onterecht ontvangen sociale uitkeringen van de gemeente terug te betalen. De vrouw beriep zich erop dat ook deze schulden verknocht aan de man waren. De Hoge Raad heeft bij arrest van 15 mei 1992 (NJ1993, 486) reeds eerder overwogen dat de schuld vanwege onterecht ontvangen sociale uitkeringen niet dient te worden aangemerkt als een verknochte schuld. Een dergelijke schuld valt dus in de gemeenschap van goederen en dient bij de verdeling ervan door beide partijen in beginsel bij helfte te worden gedragen.

Anders luidde het oordeel van het Gerechtshof Arnhem van 18 december 2012 in een nog ongepubliceerde zaak. De zaak speelde tussen een zorgverzekeraar en erfgenamen van een man die ten onrechte een persoonsgebonden budget had ontvangen. De erfgenamen stelden zich op het standpunt dat de schuld vanwege het onterecht ontvangen persoonsgebonden budget in de tussen de erflater en diens echtgenote bestaande huwelijksgoederengemeenschap was gevallen, waardoor slechts de helft van de schuld in de nalatenschap zou vallen. Het hof oordeelde dat de aan de erflater betaalde voorschotten – waarvan eerder was vastgesteld dat deze onverschuldigd zijn betaald, gelet op de bestemming daarvan (persoonlijke verzorging, verpleging, individuele begeleiding en groepsbegeleiding (al dan niet met vervoer)) en gelet op het feit dat bijvoorbeeld de persoonlijke verzorging ook tegen betaling door de echtgenote van de erflater kon worden verricht – een hoogst persoonlijk karakter dragen. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat de bijzondere wijze waarop deze betalingen met de budgethouder (de erflater) zijn verknocht zich ertegen verzet dat de betaalde voorschotten in de gemeenschap van goederen zijn gevallen. Het hof merkt daarom ook de schuld tot terugbetaling van de onverschuldigde betaalde voorschotten aan als verknochte schuld, die niet in een gemeenschap van goederen is gevallen.

Tot slot heeft de Hoge Raad op 7 december 2012 een beschikking (uitspraak) gewezen, waarbij het ging om de vraag of de door de man ontvangen materiële en immateriële schadevergoeding vanwege een auto-ongeval uit 2005 en de daardoor veroorzaakte dwarslaesie binnen een algehele gemeenschap van goederen valt. De Hoge Raad stelde dat de vraag of een goed/schuld wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan aan één der echtgenoten is verknocht niet in zijn algemeenheid kan worden beantwoord. Het hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van dat goed/die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvatting wordt bepaald. De Hoge Raad verwees hiervoor naar twee eerdere uitspraken van 15 februari 2008 en 30 maart 2012 (uitspraak en uitspraak).

Indien één der echtgenoten een vergoeding ontvangt van schade, die hij/zij heeft geleden als gevolg van een ongeval is er niet direct sprake van verknochtheid, indien die vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van die echtgenoot verbonden nadelige gevolgen van het ongeval. De echtgenoot die zich op verknochtheid beroept, dient ten minste te moeten stellen op welke schade van de bij het ongeval betrokken echtgenoot de vergoeding betrekking heeft, zodat de rechtbank kan vaststellen of die vragen ten aanzien van één of meer componenten van de vergoeding bevestigend moet worden beantwoord. Zo is bijvoorbeeld van belang of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot als gevolg van het ongeval na ontbinding van de gemeenschap een toekomst zal leiden, zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen. De Hoge Raad verwees hiervoor naar een eerdere uitspraak van 3 november 2006 (uitspraak).

 

De Hoge Raad oordeelde dus, anders dan het hof, dat een schadevergoeding in geld in beginsel wel verknocht kán zijn en vernietigde om die reden de beschikking van het gerechtshof.

Conclusie

Voornoemde uitspraken doen niets af aan de vaste lijn in de jurisprudentie, inhoudende dat een beroep op bijzondere verknochtheid slechts in uitzonderlijke gevallen wordt gehonoreerd. Duidelijk is wel dat de partij, die een beroep doet op verknochtheid, duidelijk en goed gemotiveerd zal moeten aangeven waarom hij of zij vindt dat er sprake is van verknochtheid. Slechts onder bijzondere omstandigheden zal echter van het uitgangspunt dat een goed of schuld in de gemeenschap van goederen valt worden afgeweken.