Afwijken van een erfstelling vanwege een beroep op de redelijkheid en billijkheid?

 
 
 
Ghislaine van Kooten
 

11 maart 2014

Ghislaine van Kooten

 
 
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 21 januari 2014 bepaald dat een erfstelling niet buiten toepassing kan worden gelaten vanwege een beroep op het leerstuk van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 21 januari 2014 (klik hier) bepaald dat een erfstelling niet buiten toepassing kan worden gelaten vanwege een beroep op het leerstuk van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.

De erflaatster had in 2001 bij testament haar zuster tot enige erfgenaam benoemd en daarbij bepaald dat, indien deze zus eerder dan de erflaatster zou komen te overlijden, dat de kinderen van haar vooroverleden broer tot erfgenaam, aldus haar nichten en neven, tot erfgenaam zouden worden benoemd. De zuster was inderdaad vooroverleden.

In 2007 wijzigde de erflaatster haar testament en benoemde zij, in plaats van de kinderen van haar vooroverleden broer de nichten van haar vooroverleden echtgenoot tot erfgenamen.

De bij testament van 2001 benoemde erfgenamen konden zich met deze wijziging van het testament niet verenigen. Zij stelden als eerste dat de erflaatster leed aan dementie en de keuze voor het wijzigen van het testament niet kon overzien. Zij verzochten vernietiging van het laatste testament. De rechtbank en het gerechtshof wezen dit argument af, omdat met name de notaris aangaf dat de erflaatster de gevolgen volgens hem goed kon overzien. Verder werd er door de eisers te weinig gesteld om tot vernietiging van het testament over te gaan.

Als subsidiaire grondslag hadden de eisers aangegeven dat het wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid niet van hen kon worden verwacht dat de inhoud van het testament van 2007 ongewijzigd in stand zou worden gelaten. Het gerechtshof had een kort, maar duidelijk oordeel: het buiten toepassing laten van een erfstelling omdat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, vindt geen steun in de wet.

Deze uitspraak past in een vaste lijn binnen de jurisprudentie, waaruit volgt dat het vernietigen van erfstellingen door erfgenamen of andere belanghebbenden alleen mogelijk is als er sprake is van het feit dat de erflater zijn of haar wil redelijkerwijs niet kon verklaren ten tijde van het opstellen van een testament, althans dat met de erfstelling iets anders is bedoeld dan wat er daadwerkelijk op papier is gezet. Vernietiging van een erfstelling, louter omdat dit voor enkele belanghebbenden niet redelijk zou zijn, is niet mogelijk. Het is immers de uiterste wil van de erflater en die mag hij of zij vrijelijk bepalen.