Volledig verval van de loondoorbetalingsverplichting of slechts gedeeltelijk verval bij weigering van passende arbeid door een zieke werknemer?

 
 
 
Ingrid van den Broek
 

1 september 2014

Ingrid van den Broek

 
 
Recentelijk heeft de Hoge Raad zich uitgelaten over de vraag of de loonaanspraken van een werknemer bij het weigeren van passende arbeid gedurende een gedeelte van de werktijd volledig komt te vervallen of dat slechts de loonaanspraak voor dat gedeelte waarop de weigering ziet, komt te vervallen. De casus was als volgt.

Een werknemer heeft zich op een bepaald moment arbeidsongeschikt gemeld. De bedrijfsarts heeft enkele maanden later geadviseerd om de werknemer voor halve dagen in aangepaste werkzaamheden in te zetten. Ten aanzien van de verdere reïntegratie adviseerde de bedrijfsarts een opbouw van de werkzaamheden gedurende een aantal weken. De werknemer is vervolgens niet voor halve dagen aan de slag gegaan. De werkgever heeft de volledige loondoorbetaling gestaakt. De werknemer stelt zich op het standpunt dat de werkgever wel gehouden was het loon door te betalen over het deel van de werktijd waarvoor hij nog arbeidsongeschikt was.

In beginsel geldt dat een werknemer ingevolge artikel 7:627 en 7:628 BW geen recht heeft op loon voor de tijd gedurende welke hij/zij de bedongen arbeid niet heeft verricht, tenzij de oorzaak van het niet verrichten van de arbeid in redelijkheid voor rekening van de werkgever komt. Ingevolge artikel 7:629 BW behoudt de werknemer in beginsel, voor een tijdvak van 104 weken van zijn arbeidsongeschiktheid, recht op 70 % van het naar tijdruimte vastgestelde loon, met dien verstande dat hij gedurende de eerste 52 weken ten minste recht heeft het voor hem geldende minimumloon. Voorts geldt dat een werknemer het recht op doorbetaling van loon niet heeft in bepaalde in de wet opgesomde situaties waaronder in ieder geval voor de tijd, gedurende welke een werknemer, hoewel hij/zij daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond passende arbeid, waartoe de werkgever hem/haar in de gelegenheid stelt, niet verricht, en voor de tijd, gedurende welke hij/zij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan de door de werkgever of door een door hem aangewezen deskundige (zoals bijvoorbeeld de bedrijfsarts) gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen die erop gericht zijn om de werknemer in staat te stellen passende arbeid te verrichten.

De vraag die nu rijst, is of de woorden “voor de tijd, gedurende welke” moeten worden uitgelegd in die zin dat enkel de uren waarin de werknemer wel in staat moet worden geacht te reintegreren en dit niet heeft gedaan, worden bedoeld of dat uit deze woorden mag worden afgeleid dat het de volledige loonbetaling, dus ook over de uren waarvoor de werknemer nog wel arbeidsongeschikt is, mag worden gestaakt.

Uiteindelijk blijkt uit de uitspraak van de Hoge Raad dat mede gezien het feit dat de strekking van de hierboven genoemde uitzonderingen moeten worden gezien als een loonsanctie en als doel hebben de werknemer te stimuleren zijn/haar herstel en reïntegratie te bevorderen de laatste uitleg de juiste is. Dit betekent dus dat indien een werknemer gedurende een gedeelte van de werktijd weigert om passende arbeid te verrichten dit tot gevolg heeft dat de volledige loonaanspraak over die periode vervalt.

Mocht u meer vragen hebben die betrekking hebben op arbeidsongeschikte werknemers, neemt u dan contact op mevrouw mr. I.A.W. van den Broek van TRC Advocaten.