Is een ontbindingsvergoeding verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst vóór de einddatum op een andere wijze eindigt?

 
 
 
Ingrid van den Broek
 

21 oktober 2014

Ingrid van den Broek

 
 
Op 3 oktober jl. heeft de Hoge Raad op bovengenoemde vraag een antwoord gegeven. De casus is als volgt. De vader van een aantal erfgenamen (hierna te noemen: “de erflater”) is vanaf 1983 in dienst geweest bij een woningstichting Domein. De erflater en de woningstichting hebben overeenstemming bereikt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van de erflater. De kantonrechter heeft bij beschikking van 31 augustus 2009 de arbeidsovereenkomst per 1 april 2010 ontbonden en daarbij aan de erflater een beëindigingsvergoeding toegekend.

Op 30 december 2009, dus voordat de arbeidsovereenkomst is beëindigd door middel van ontbinding, is de erflater onverwacht overleden. Hierdoor is de arbeidsovereenkomst, ingevolge de wet, geëindigd. 

De woningstichting heeft zich op het standpunt gesteld dat doordat de arbeidsovereenkomst op 1 april 2010 niet langer bestond (omdat deze door het overlijden van de erflater is geëindigd), zij de ontbindingsvergoeding niet verschuldigd was. De erfgenamen hebben aanspraak gemaakt op betaling van de ontbindingsvergoeding.

De kantonrechter heeft de vordering van erfgenamen toegewezen. Het Gerechtshof heeft de vordering van de erfgenamen alsnog afgewezen.

Op 3 oktober 2014 heeft de Hoge Raad uitsluitsel gegeven. De Hoge Raad stelt dat indien noch in de ontbindingsbeschikking, noch in een daaraan voorafgaande beëindigingsovereenkomst is bepaald dat de toegekende beëindigingsvergoeding slechts verschuldigd zal zijn indien de arbeidsovereenkomst per de datum van ontbinding nog bestaat, de vergoeding verschuldigd is, ook al is de arbeidsovereenkomst door het overlijden van de erflater eerder dan op de datum van ontbinding geëindigd.

Het bovenstaande betekent dat het belangrijk is aandacht te besteden aan de vraag of in een beëindigingsovereenkomst en/of in een beslissing van de rechter aandacht besteed moet worden aan de vraag of een beëindigingsvergoeding ook verschuldigd is indien de arbeidsovereenkomst eerder, op andere wijze, eindigt. Met name na mate er meer tijd verstrijkt tussen de datum waarop de afspraak wordt gemaakt en/of de ontbindingsbeschikking wordt uitgesproken èn de daadwerkelijke einddatum van de overeenkomst/ontbindingsdatum, wordt het risico groter dat de arbeidsovereenkomst tussentijds op een andere wijze eindigt.

In geval van vragen over het bovenstaande, of andere arbeidsrechtelijke vragen, kunt u zich wenden tot mevrouw mr. I.A.W. (Ingrid) van den Broek, TRC Advocaten, telefoonnummer: 040 – 29 45 00, e-mailadres: i.vdbroek@trc-advocaten.nl