Rechtbank Den Haag neemt krachtig stelling tegen nieuwe alimentatienormen

 
 
 
Evelien Geerings
 

24 februari 2015

Evelien Geerings

 
 

Dit artikel heeft betrekking op onze juridisch specialisatie:

Familie- en erfrecht

Op 1 januari 2015 is de Wet hervorming kindregelingen in werking getreden. Kort samengevat, was het doel van deze wet de (tot 31 december 2014) bestaande kindregelingen van tien terug te brengen naar vier. Door de inwerkingtreding van deze wet is per 1 januari 2015 de alleenstaande ouderkorting vervallen en is de zogeheten "alleenstaande ouderkop" ingevoerd. De alleenstaande ouderkop is een tegemoetkoming voor alleenstaande ouders met een lager (verzamel)inkomen en is daarmee een inkomensondersteuning. De alleenstaande ouderkop wordt verstrekt via het kindgebonden budget. De hoogte van de alleenstaande ouderkop is afhankelijk van de hoogte van het verzamelinkomen van de alleenstaande ouder. Hoe hoger het verzamelinkomen, des te lager wordt het kindgebonden budget met inbegrip van de alleenstaande ouderkop. Tot 1 januari 2013 werd het kindgebonden budget als inkomen beschouwd en meegeteld in de berekeningen de draagkracht van de ouder. Het effect van het kindgebonden budget bij de berekening van de draagkracht was echter beperkt, omdat het inkomen al gering was. Per 1 januari 2013 is gekozen voor een andere rekenmethodiek. De aanbeveling van de Expertgroep Alimentatienormen, opgenomen in het Rapport alimentatienormen die door rechterlijke instanties worden gehanteerd, was om het kindgebonden budget te zien als een tegemoetkoming in de kosten van een kind. Door het kindgebonden budget in mindering te strekken op de behoefte van het kind, werd het eigen aandeel van de ouders in de kosten van hun kind lager.

De Expertgroep heeft aanbevolen met ingang van 1 januari 2015 ook de alleenstaande ouderkop in mindering te brengen op de behoefte van het kind. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van hun kind wordt daarmee nog lager. In sommige gevallen leidt dit er zelfs toe dat er geen behoefte meer resteert waarin de ouders dienen te voorzien. Als er geen behoefte meer resteert, is van alimentatie geen sprake meer. De verantwoordelijkheid van de ouders om in de kosten van hun kind te voorzien, wordt door de nieuwe aanbeveling verlegd van de ouders naar de overheid.

De rechtbank Den Haag acht de aanbeveling niet redelijk en in strijd met het wettelijke uitgangspunt. De rechtbank heeft derhalve in een uitspraak van 9 januari 2015 deze aanbeveling terzijde geschoven.

De rechtbank Den Haag heeft in haar uitspraak overwogen:

Met ingang van 1 januari 2015 is (…) een groot aantal wijzigingen in de zogeheten kindregelingen in werking getreden. De vrouw ontvangt door de nieuwe wet met ingang van 1 januari 2015 een kindgebonden budget van € 340,- per maand. Indien de aanbevelingen op dit punt zouden worden gevolgd, inhoudende dat ook in de nieuwe situatie het gehele kindgebonden budget (inclusief de zogenaamde alleenstaande-ouderkop) in mindering wordt gebracht op de behoefte, leidt dit ertoe dat er in dit geval geen behoefte van de minderjarige aan een bijdrage van de man zou overblijven. De rechtbank acht dit niet redelijk en in strijd met het wettelijke uitgangspunt dat ouders gehouden zijn tot het verstrekken van levensonderhoud aan hun kinderen (voor zover hun draagkracht dit toelaat). Maatschappelijk gezien vindt de rechtbank het niet aanvaardbaar dat in de behoefte van een kind volledig zou worden voorzien uit gemeenschapsmiddelen, terwijl er bij de niet primair verzorgende ouder wel draagkracht is om een bijdrage aan het levensonderhoud van zijn of haar kind te leveren. De rechtbank is van oordeel dat de huidige regelgeving ook niet tot een dergelijke uitleg dwingt, nu de alleenstaande-ouderkop bedoeld lijkt te zijn als een inkomenspolitieke maatregel, vergelijkbaar met de alleenstaande-ouderkorting, een heffingskorting die tot 2014 bestond en niet op de behoefte van het kind in aftrek werd gebracht. Om die reden wijkt de rechtbank af van het advies van de Expertgroep op dit punt en handhaaft zij de vastgestelde door de man te betalen bijdrage ook na 1 januari 2015.’

Rechterlijke instanties zijn niet gehouden de aanbevelingen van de Expertgroep op te volgen. In de praktijk worden de aanbevelingen steeds door rechterlijke instanties overgenomen. De rechtbank Den Haag heeft met deze uitspraak een belangrijk maatschappelijk signaal afgegeven. De kosten van de verzorging en opvoeding van een kind dienen een primaire verantwoordelijkheid van de ouders te zijn. Door de aanbevelingen op dit punt te herzien, kan deze verantwoordelijkheid weer primair bij de ouders worden neergelegd.  

Bron: Rechtbank Den Haag, 9 januari 2015, C/09/478210 / FA RK 14-9363