Aansprakelijkheid na oplevering

 
 
 
Mario Struik
 

29 juni 2015

Mario Struik

 
 
Schreef ik de vorige keer nog dat een aannemer niet gehouden is tot herstel over te gaan van gebreken die de opdrachtgever ten tijde van de oplevering redelijkerwijs had kunnen ontdekken, en verder dat dit ‘de regel’ (en dus ook ‘vaste’ jurisprudentie) is, zo af en toe ‘druppelt’ er toch een uitspraak van de Raad van Arbitrage door waarin (op onderdelen of een enkel onderdeel) geoordeeld wordt dat de zichtbaarheid van het gebrek niet ter zake doet. Mijn oog viel in dit verband op een uitspraak van de Raad van Arbitrage (GIW/AIG, 80676) van 23 december 2014, meer in het bijzonder op één onderdeel daarvan.

Ten aanzien van de meeste gebreken, overigens veelal esthetisch van aard, werd het verweer van de aannemer, er kort toe strekkende dat de opdrachtgever het gebrek bij oplevering had moeten onderkennen, gehonoreerd. Over één gebrek oordeelde de arbiter echter anders.

Het betrof de onderzijde van de regenafvoeren.

De overwegingen van de arbiter luiden ten aanzien van dit onderdeel van het werk als volgt.

’58. Opdrachtgever stelt –kort gezegd en voor zover ter zake- dat de hemelwaterafvoeren vlak boven de grond ophouden waardoor de onderzijde van de gevel bij een zware regenbui door het regenwater te zwaar wordt belast. Onderneemster heeft verzuimd een voorziening te maken aan de onderzijde van de regenafvoer waardoor het regenwater verder van de gevel wordt afgevoerd, aldus –nog steeds- opdrachtgever. Onderneemster stelt dat deze uitvoering zichtbaar was bij oplevering, zodat opdrachtgever deze wijze van uitvoering heeft aanvaard.

59. Arbiter is van oordeel dat de onderneemster wist, dan wel behoorde te weten, dat zij de hemelwaterafvoervoorziening in onvoltooide staat ter oplevering heeft aangeboden en dat zij derhalve zich in redelijkheid niet kan beroepen op de omstandigheid dat opdrachtgever bij oplevering niet heeft onderkend dat ter zake nog een extra voorziening diende te worden aangebracht.’

Wel zichtbaar bij oplevering, maar onderneemster toch aansprakelijk dus, met een beroep op de redelijkheid.

De redenering van de arbiter komt op mij niet juist over, althans laat zich niet verdragen met het uitgangspunt van 7: 758 lid 3 BW.

Het lijkt erop dat de arbiter met zijn redenering aansluiting heeft willen zoeken bij artikel 7: 762 BW, in welk artikel kort gezegd wordt bepaald dat een aannemer zijn aansprakelijkheid niet kan uitsluiten voor hem bekende verborgen gebreken die hij heeft verzwegen, maar die situatie kan hier niet aan de orde zijn omdat door diezelfde arbiter nadrukkelijk wordt overwogen dat het om een gebrek gaat dat de opdrachtgever uiterlijk bij oplevering had kunnen (en dus ook moeten) onderkennen.

In geval het gaat om een gebrek dat de opdrachtgever uiterlijk bij oplevering had kunnen onderkennen, is in mijn opvatting en in lijn met artikel 7: 758 lid 3 BW maar één consequentie denkbaar, en dat is een décharge van de aannemer, de consequentie ook van falend toezicht.