Hoofdelijke aansprakelijkheid commanditaire vennoot wegens overtreding beheersverbod?

 
 
 
Ruud van der Linden
 

17 september 2015

Ruud van der Linden

 
 
Eisers waren commanditaire vennoten van een cv. Hun zoon was beherend vennoot. Bij twee gelegenheden hebben eisers een overeenkomst mede namens de cv ondertekend. In 2010 heeft B de aan de cv verbonden onderneming overgenomen. In de koopovereenkomst is onder meer opgenomen dat de cv zal zorgen voor afrekening van reeds opgebouwde vergoedingen van personeelsleden.

Op 23 juni 2011 heeft B een vergoeding van € 1.037,79 aan een personeelslid betaald. B vordert hoofdelijke veroordeling van eisers tot betaling van genoemd bedrag en voert daartoe aan dat eisers krachtens artikel 21 WvK hoofdelijk aansprakelijk zijn voor alle schulden van de cv omdat zij het voorschrift van artikel 20 lid 2 WvK hebben overtreden. De rechtbank en het hof hebben de vordering toegewezen. De P-G vordert thans vernietiging van het arrest van het hof in het belang der wet en voert daartoe aan dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat bij de uitleg van artikel 21 WvK geen belang toekomt aan de omstandigheid dat de wederpartij van de cv ervan op de hoogte was dat eiseres geen beherende vennoten, maar commanditaire vennoten waren.

De Hoge Raad besliste op 19 mei jl. als volgt: Artikel 21 WvK strekt ertoe te voorkomen dat commanditaire vennoten die op een van de in artikel 20 WvK vermelde manieren onduidelijkheid laten ontstaan over hun rechtspositie in de vennootschap, zich kunnen onttrekken aan de aansprakelijkheid die artikel 18 WvK voorziet voor de gewone vennoten. De sanctie van artikel 21 WvK is echter uitsluitend gerechtvaardigd indien en voor zover zij in overeenstemming is met de hiervoor beschreven strekking ervan en mag dan ook niet in een onevenredige verhouding staan tot de aard en de ernst van de schending door de commanditaire vennoot van de voorschriften van artikel 20 WvK. Daarbij kan mede van belang zijn of bij derden redelijkerwijs een onjuiste indruk over de hoedanigheid van de commanditaire vennoot heeft kunnen ontstaan. In zoverre komt de Hoge Raad terug van zijn arrest van 15 januari 1943, NJ 1943/201 (Walvius). Ten slotte zal de commanditaire vennoot tegen wie de sanctie van artikel 21 WvK wordt ingeroepen ter zake van zijn handelen enig verwijt moeten kunnen worden gemaakt. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof in het belang der wet.