De Hoge Raad heeft onlangs een uitspraak gedaan die van belang is voor houders van dieren.

 
 
 
Chris van der Corput
 

18 februari 2016

Chris van der Corput

 
 

Dit artikel heeft betrekking op onze juridisch specialisatie:

Hippisch recht

De Hoge Raad heeft onlangs een uitspraak gewezen die van belang is voor houders van dieren. 

A exploiteert tezamen met echtgenoot B een manage en zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. De manege houdt zich bezig met het geven van paardrijlessen aan kinderen en volwassenen op het terrein van de manege alsmede het onder begeleiding verzorgen van buitenritten. A botst tegen een paard en valt en scheurt haar rechter dijbeenspieren en breekt haar rechterheup. Zij kan een aantal taken binnen het manegebedrijf niet meer uitvoeren. A stelt vervolgens de verzekeraar aansprakelijk op grond van artikel 6:179 BW als mede-eigenaar van het paard.  

De Hoge Raad overweegt: Grondslag voor de kwalitatieve aansprakelijkheid van artikel 6:179 BW is dat de bezitter om hem moverende redenen – meestal economisch nut of eigen genoegen – het dier houdt, en daarmee voor derden gevaar schept in verband met de onberekenbare krachten die de eigen energie van het dier als levend wezen oplevert. De grondslag van de aansprakelijkheid is met name gelegen in de omstandigheid dat de bezitter tegenover anderen een risico in het leven roept. De maatschappelijke wenselijkheid van bescherming van benadeelden tegen het gevaar dat een risico zich verwezenlijkt geldt niet zonder meer ook voor de benadeelde medebezitter, nu deze mede verantwoordelijk is voor het scheppen of handhaven van dat risico. 

Van de medebezitter die door toedoen van een dier schade lijdt, kan worden gezegd dat hij ook voor zichzelf een gevaar in het leven heeft geroepen of in stand gehouden waarvan hij wordt geacht zich bewust te zijn. Het ligt minder voor de hand dat de norm van artikel 6:179 BW ook zou strekken tot bescherming van de benadeelde die als medebezitter bewust bijdraagt tot het scheppen of handhaven van het voor hem kenbare gevaar waartegen deze bepaling bescherming biedt. 

Een en ander brengt mee dat wanneer de belangen van alle betrokkenen in aanmerking worden genomen, niet redelijk of maatschappelijk wenselijk is dat artikel 6:179 BW ook aansprakelijkheid vestigt jegens personen die de hoedanigheid hebben van medebezitter van een dier. 

Uit het bovenstaande blijkt dat de door A geleden schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, juist omdat zij mede-eigenaar is.