Bestaat recht op transitievergoeding bij het sluiten van een beëindigingsovereenkomst?

 
 
 
Ingrid van den Broek
 

7 maart 2016

Ingrid van den Broek

 
 

Dit artikel heeft betrekking op onze juridisch specialisatie:

Arbeidsrecht

Dit was de vraag waarover de Rechtbank Midden-Nederland op 11 december 2015 heeft moeten oordelen. Het oordeel van de rechtbank was dat er geen recht op een transitievergoeding bestaat bij een beëindigingsovereenkomst.

 

De situatie die zich voordeed was als volgt. Een werknemer is in augustus 2012 in dienst getreden van een uitzendbureau. Op 20 juli 2015 hebben de werknemer en het uitzendbureau een vaststellingsovereenkomst gesloten.

 

In de overeenkomst is, voor zover van belang, opgenomen dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd op initiatief van de werkgever. Verder is er een bepaling opgenomen waarin werknemer en werkgever over en weer finaal worden gekweten, in die zin dat zij niets meer van elkaar te vorderen hebben na uitvoering van de overeenkomst. Als laatste is van belang dat de werknemer 14 dagen de tijd heeft gekregen de overeenkomst te ontbinden.

 

Werknemer is een procedure gestart waarin hij de kantonrechter heeft verzocht aan hem een transitievergoeding toe te kennen. Allereerst heeft hij gesteld dat nu het initiatief van de werkgever is uitgekomen hij een transitievergoeding zou moeten krijgen. Daarnaast heeft de werknemer gesteld dat de werkgever hem had moeten wijzen op zijn recht op een transitievergoeding. 

De kantonrechter heeft voor wat betreft het eerste punt geoordeeld dat bij beëindiging met wederzijds goedvinden geen transitievergoeding verschuldigd is. Dit zou enkel anders zijn indien er feitelijk sprake was van een opzegging door de werkgever met instemming van de werknemer. De bepalingen in de vaststellingsovereenkomst wijzen er niet op dat daarvan sprake is. De kantonrechter verwijst ook naar de kamerstukken. Daaruit blijkt dat geen transitievergoeding verschuldigd is bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. 

De tweede vraag is of op de werkgever de verplichting rustte (op grond van goed werkgeverschap) om de werknemer te wijzen op zijn mogelijke aanspraak op een transitievergoeding. De kantonrechter meent dat uit de Wet Werk en Zekerheid geen algemene spreekplicht voor de werkgever voortvloeit om bij de onderhandelingen omtrent het einde van de arbeidsovereenkomst te wijzen op de mogelijke aanspraak op een transitievergoeding. De kantonrechter wijst er daarbij ook op dat iedere werknemer (minimaal) 14 dagen bedenktijd heeft en dat die tijd voldoende is om informatie in te winnen over de rechten en plichten bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de financiële voorwaarden daarbij. 

Uit het bovenstaande kan dus worden afgeleid dat geen transitievergoeding verschuldigd is indien de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden wordt beëindigd. Dit is anders indien de overeenkomst door de werkgever wordt opgezegd of op verzoek van de werkgever wordt ontbonden door de kantonrechter. In die gevallen is wel een transitievergoeding verschuldigd, tenzij de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. 

Mocht u naar aanleiding van het bovenstaande nog vragen hebben, neemt u dan contact op met één van de advocaten van de sectie arbeidsrecht van TRC Advocaten. 

Dit artikel werd geschreven door mw. mr. I.A.W. (Ingrid) van den Broek.