Nieuwe lijn: driestappenplan voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel

 
 
 
Evelien Geerings
 

4 juli 2019

Evelien Geerings

 
 

Dit artikel heeft betrekking op onze juridisch specialisatie:

Bestuursrecht

Op 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694) heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een belangrijke uitspraak gedaan over het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht. In deze uitspraak zet de Afdeling uiteen welke drie stappen moeten worden doorlopen als er een beroep op het vertrouwensbeginsel wordt gedaan.

Deze stappen kunnen als volgt worden samengevat:

  1. Kan de uitlating en/ of gedraging waarop een beroep wordt gedaan, worden gekwalificeerd als een toezegging?
  2. Kan de toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan worden toegerekend?
  3. Wat is de betekenis van het gewekte vertrouwen bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid (de belangenafweging)?

Stap 1:
Om aan te nemen dat een toezegging is gedaan, dient degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk te maken dat sprake is van uitlatingen en/of gedragingen van ambtenaren die redelijkerwijs de indruk wekken van een welbewuste standpuntbepaling van het bestuur over de manier waarop een bevoegdheid al dan niet zal worden uitgeoefend. Het is daarbij van belang is dat degene die een beroep op het vertrouwensbeginsel doet, te goeder trouw is. De betrokkene komt geen geslaagd beroep toe op het vertrouwensbeginsel indien hij had moeten beseffen dat de uitlating van de ambtenaar ging over een beslissing die buiten de bevoegdheid van het bestuursorgaan lag, of anderszins in strijd was met de toepasselijke rechtsregels.

Stap 2:
In het kader van de vraag of een toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend, is een verschuiving nodig van het bestuurlijke naar het burgerperspectief.  De Afdeling geeft als voorbeeld dat indien een wethouder met een bepaalde portefeuille de indruk wekt dat hij de opvatting van het college vertolkt en op het terrein van zijn portefeuille toezeggingen doet, terwijl het voor de betrokkene niet eenvoudig kenbaar is dat deze wethouder daartoe niet bevoegd is en niemand hem daar op wijst, het college zich niet met succes kan beroepen op de onbevoegdheid van de wethouder om een dergelijke toezegging te doen. De Afdeling is verder van oordeel dat ook een inspecteur bouw- en woningtoezicht, en daarnaast ook een medewerker van de afdeling vergunningverlening of de afdeling handhaving, een toezegging kan doen over een onderwerp dat zijn werkgebied betreft, die aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Toezeggingen van medewerkers die in zijn algemeenheid slechts algemene informatie behoren te verstrekken, zoals een baliemedewerker, kunnen naar het oordeel van de Afdeling evenwel niet aan het bevoegde orgaan worden toegerekend.

Stap 3:
Indien aan stap 1 en 2 is voldaan, kan een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel worden gedaan. Het vertrouwensbeginsel brengt echter niet met zich dat gerechtvaardigde verwachtingen altijd moeten worden gehonoreerd. Daartoe is vereist dat bij afweging van de betrokken belangen, waarbij het belang van degene bij wie de gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt zwaar weegt, geen zwaarder wegende belangen aan het honoreren van de verwachtingen in de weg staan. Die zwaarder wegende belangen kunnen zijn gelegen in strijd met de wet, het algemeen belang en de belangen van derden. De Afdeling overweegt in dit verband dat het algemeen belang dat gediend is bij handhaving in zijn algemeenheid weliswaar zwaar weegt, maar, indien een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel wordt gedaan, niet doorslaggevend hoeft te zijn, als er geen concrete bedreigde belangen van enige betekenis aangewezen kunnen worden. Indien er zwaarder wegende belangen in de weg staan aan honorering van het gewekte vertrouwen kan voor het bestuursorgaan de verplichting ontstaan om de schade die er zonder het vertrouwen niet geweest zou zijn te vergoeden als onderdeel van diezelfde besluitvorming.

Deze nieuwe lijn kan betekenen dat vaker toezeggingen moeten worden nagekomen bij een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel.